 | | MANU BAEYENS | |
| |
|
|
|
Zou je kunnen zeggen dat Manu Baeyens (Gent, 1972) een laatbloeier is? Meer dan tien jaar heeft hij louter gebruik gemaakt van de kleuren zwart, wit en grijs, een periode waarin zijn werk werd bevolkt door vreemde creaturen die in een hermetische wereld leken te leven. Niet voor niets is dit vroegere werk meerdere malen vergeleken met dat van Baeyens' landgenoten Patrick van Caeckenbergh en Thierry de Cordier. De ‘wereld’ van Baeyens bestaat nog steeds, evenals de wezens die haar bevolken. Die doen nog steeds hun eigen, vanzelfsprekende ding.
Baeyens verhuisde van België naar Nederland en daar vond hij de sleutel tot zijn doos van Pandora. In de doos bleek het gebruik van kleur te zitten. Zijn werk is op het eerste gezicht nog steeds mysterieus, maar is toegankelijker geworden. Dieren en mensen bevolkten zijn wereld altijd al, maar ze lijken zich ontpopt te hebben van cocons tot vlinders en hebben een ongekend bevruchtingsproces in gang gezet. Manu Baeyens is productiever dan ooit en het plezier waarmee hij zijn werk maakt, is duidelijk in zijn werk terug te vinden. Steeds meer uithoeken van Baeyens’ wereld worden in kaart gebracht op zijn eigen, expressieve wijze.
Wat verder opvalt, is de grote verscheidenheid aan materialen die hij in zijn universum toepast. Van sec tekeningen of schilderijen is bijkans nooit sprake. Baeyens heeft een voorliefde om te werken met doorleefde materialen. Oude schilderijen van hem zelf, pagina’s met teksten, illustraties of foto’s uit oude boeken en vodden worden in een en hetzelfde werk opgenomen. Maar ook deksels van conservenblikken, badmatten, kapstokonderdelen en teddyberen worden door hem gebruikt.
Knippend, scheurend, spijkerend, naaiend en schilderend komen de wezens en sferen tot leven. Een fascinatie voor de primaire vormen van etnografische kunst is in zijn werk merkbaar aanwezig. Zijn werken lijken bezield, als Afrikaanse fetisjen.
Baeyens’ gespitstheid op materiaal overstijgt de huidige collagehype. Zijn werk is niet knippen om het knippen, niet borduren om het borduren, maar maken om de zaken tot leven te wekken. Daarbij zijn alle middelen / media geoorloofd. Als hij vindt dat er transparant plastic over een werk gespannen moet worden, dan brengt hij ook lagen plastic over het werk aan. De doorleefde materialen geven zijn werk iets herkenbaars, iets tastbaars en vormen zo een brug tussen Manu’s wereld en de wereld van de beschouwer.
Jaring Dürst Britt

|
|
|
|